Spraakverwarring over groene gewasbescherming

Groene gewasbescherming gaat om meer dan alleen bestrijdingsmiddelen. Het is een ‘systeemaanpak’, gebaseerd op een combinatie van goed uitgangsmateriaal, een gezonde bodem, een biologisch diverse omgeving en een arsenaal aan technieken om de plant tot wasdom te brengen. Onder invloed van milieuorganisaties is de discussie over groene gewasbescherming echter vernauwd tot het al dan niet gebruiken van synthetische bestrijdingsmiddelen. Landbouw moet ‘chemievrij’ worden, maar daarmee dreigt het kind met het badwater te worden weggegooid. Joost van Kasteren ging op onderzoek uit.


Een van de grootste onduidelijkheden in de discussie over groene gewasbescherming is het begrip ‘groen’, meent Carlos Nijenhuis, voorzitter van Nefyto, de Nederlandse Stichting voor Fytofarmacie, die de belangen behartigt van bedrijven die chemische en biologische gewasbeschermingsmiddelen ontwikkelen voor de Nederlandse markt. „Voor veel mensen zijn biologische middelen groen en chemische – of beter synthetische – middelen niet-groen. Ik denk dat dat te maken heeft met de chemofobie, de angst voor chemie, die via de milieu-organisaties de samenleving in is geslopen.”

Nefyto vertegenwoordigt de producenten van zowel biologische als synthetische middelen. Inmiddels worden er evenveel aanvragen voor toelating ingediend voor biologische als voor synthetische pesticiden. Vanwege de lange duur van de toelatingsprocedure duurt het echter wel even voordat er evenveel biologische als synthetische middelen beschikbaar zijn voor de teler. De vorig jaar afgesloten ‘Green Deal Groene Gewasbeschermingsmiddelen’ moet ertoe leiden dat middelen met een laag risicoprofiel binnenkort sneller worden toegelaten.

Investeringsimpuls

Bert Lotz, teamleider bij Wageningen Plant Research, beaamt dat groene gewasbescherming waarschijnlijk niet helemaal zonder middelen kan, zowel synthetische als biologische middelen. Lotz is projectleider van de Investeringsimpuls Groene Gewasbescherming, een meerjarig programma gericht op het ‘ontwikkelen van nieuwe teeltsystemen, vrij van risicovolle bestrijdingsmiddelen en op de duurzamere bescherming van bestuivers’. De formulering is afkomstig uit de brief van voormalig staatssecretaris Martijn van Dam over de Voortgang van de Voedselagenda.

Lotz: „Risicovol is een begrip dat in het onderzoek nadere operationalisering behoeft. Ons doel is het ontwikkelen van een systeemaanpak die leidt tot een versnelling van duurzame gewasbescherming met behoud van economisch perspectief. We sluiten niet uit dat middelen nog nodig zijn, maar dat zijn dan in elk geval geen middelen met een hoog risicoprofiel. De tweede doelstelling is dus dat de ontwikkelde systemen niet ten koste mogen gaan van de sterke marktpositie van de Nederlandse landbouw.”

Het programma richt zich op de akkerbouwmatige open teelten, waaronder aardappelen en uien, de lelieteelt, de appelteelt en de teelt van aardbeien onder glas. Parallel aan het onderzoeksprogramma Groene Gewasbescherming is er een Kennisimpuls Bestuivers. Doel is behoud en bevordering van de bestuivers, zowel wild als gedomesticeerd, mede om de bestuiving van gewassen op peil te houden. Het laatstgenoemde programma is onderdeel van de Nationale Bijenstrategie, die in januari is gelanceerd.

Systeemaanpak

Het verminderen van de afhankelijkheid van bestrijdingsmiddelen vraagt om een systeemaanpak, waarbij bestrijdingsmiddelen alleen in uiterste noodzaak worden ingezet, stelt Lotz. Als voorbeeld noemt hij de ontwikkeling van aardappelrassen die met behulp van soorteigen genetische modificatie (cisgenese) meervoudig resistent zijn gemaakt tegen Phytophthora. Gebruik van die rassen (nu nog prototypen) maakt de inzet van bestrijdingsmiddelen nagenoeg overbodig. Lotz: „Nagenoeg, omdat altijd de kans bestaat dat er een Phytophthora-variëteit ontstaat die een of meer van de resistentiegenen weet te doorbreken. In zo’n geval moet je wel spuiten om het teeltsysteem van niet-spuiten op de been te houden. Voorwaarde is dus wel dat we alleen spuiten met middelen die een laag risicoprofiel hebben.”

Naast beter uitgangsmateriaal kan de afhankelijkheid van bestrijdingsmiddelen ook worden verminderd door meer en efficiënter gebruik te maken van de agrobiodiversiteit in, op en rond de akkers. In dat verband wordt in beleid en politiek tegenwoordig vaak gesproken over ‘natuurinclusieve landbouw’. Lotz: „Ook dat is een begrip waarvoor we nog bezig zijn met een operationalisering. Aan de ene kant heeft het begrip natuurinclusief te maken met maatschappelijke zorgen over de verschraling van het boerenland. Aan de andere kant – en zo willen wij het inzetten – staat het voor de mogelijkheden om gebruik te maken van biodiversiteit om het teeltsysteem sterker en gezonder te maken.”

Akkerranden

Een klassiek voorbeeld is het aanleggen en onderhouden van bloemrijke akkerranden, waarin wilde bijen en andere bestuivers en de natuurlijke vijanden van plaagsoorten zich schuil kunnen houden. Zeker bij grote percelen is het de vraag hoe effectief die akkerranden zijn. Lotz: „Je zou het ook om kunnen draaien en bijvoorbeeld smalle stroken met lelies telen in een bloemrijk grasland. Voorwaarde is wel dat die lelies gezond en virusvrij blijven om de export van leliebollen niet in gevaar te brengen, want Nederland is een grote speler op dat gebied.”

Naast biologische zijn ook mechanische oplossingen in beeld om de afhankelijkheid van bestrijdingsmiddelen te verminderen. In de appelteelt kun je denken aan het tijdelijk overkappen van boomgaarden om te voorkomen dat het blad langere tijd nat is. In combinatie met een warm voorjaar is een lange bladnatperiode zeer bevorderlijk voor infectie met schurft, de belangrijkste schimmelziekte in de appelteelt.

Een andere mogelijkheid is het gebruik van stroken- en mengteelten, waarbij verschillende gewassen door elkaar worden geteeld, eventueel in combinatie met bomenteelt. Door de juiste combinatie van gewassen kan het bodemleven een stimulans krijgen waar ook de gewassen zelf weer van profiteren.

Een variant is om verschillende rassen van eenzelfde gewas, met verschillende resistenties, door elkaar te telen. Lotz: „Met de huidige machines is dat lastig uitvoerbaar omdat verschillende gewassen ook op verschillende tijden moeten worden gezaaid, bemest en geoogst. Dat vraagt om nieuwe vormen van mechanisering die dankzij de snelle ontwikkelingen op het gebied van robotica over een jaar of tien, twaalf realiteit zijn.”

Genetische technieken

Kees van Dijk, akkerbouwer in West-Brabant en bij de Nederlandse Akkerbouw Vakbond (NAV) verantwoordelijk voor de portefeuille gewasbescherming, kan zich grotendeels vinden in de plannen voor groene gewasbescherming. Begin dit jaar publiceerde de brancheorganisatie BO Akkerbouw het Actieplan Plantgezondheid, waarin gepleit wordt voor gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico in combinatie met het toepassen van moderne veredelingstechnieken. Daarbij denkt Van Dijk niet alleen aan cisgenese voor het inbouwen van soorteigen resistentiegenen, maar ook aan technieken als CRISPR/Cas, waarmee je erfelijke eigenschappen heel precies kunt redigeren.

Van Dijk: „Er was altijd veel verzet tegen genetische modificatie, maar bij die moderne technieken als cisgenese en CRISPR-Cas is dat minder. Niemand durft het nog heel hard te zeggen, maar het besef groeit dat we die technieken nodig hebben als we een versnelde overgang naar duurzame landbouw willen realiseren.”

Over andere teeltsystemen, zoals meng- en strokenteelt, is hij aarzelender. „Het vergt een heel ander type mechanisatie dan wat we nu hebben. Ik zie dat nog niet een-twee-drie gebeuren, ook al omdat akkerbouwers dure machines hebben aangeschaft, die je niet binnen een paar jaar wil afschrijven. Dus ik zie nog niet zo snel robots op het land. En zelfs als die ontwikkeling wel snel gaat, zullen die robots nog steeds bespuitingen moeten doen.”

Onder druk gezet

Juist die bespuitingen vormen het probleem. Volgens Van Dijk en Nijenhuis vormt de discussie over bestrijdingsmiddelen en hun gevaren met zwarte lijsten en al, een bedreiging voor de ontwikkeling van groene gewasbescherming. Nijenhuis: „Groene gewasbescherming betekent niet automatisch minder bespuitingen; het zijn er misschien wel meer, maar dan met andere, laag-risicomiddelen.” Volgens akkerbouwer Van Dijk is het ook niet echt duurzaam, als je gewassen staan te verpieteren, omdat je geen middelen hebt om ziekten en plagen te bestrijden.

Dat de discussie vooral over middelen gaat, is niet zo verwonderlijk. Milieuorganisaties zetten supermarkten al jaren onder druk om iets te doen aan bestrijdingsmiddelen. Tot een paar jaar geleden lag de nadruk daarbij vooral op resten van bestrijdingsmiddelen op de producten in de supermarkt. Nu daar niet of nauwelijks meer sprake van is, richten die organisaties hun pijlen op het gebruik van bestrijdingsmiddelen tijdens de teelt. Zo werden onder meer Albert Heijn, Jumbo en Lidl in 2016 bestookt met radiospotjes van Greenpeace met als thema ‘Red de bij, maak je supermarkt gifvrij’.

Supermarkten reageren daarop door er bij hun toeleveranciers op aan te dringen bepaalde middelen niet meer te gebruiken. Jumbo eiste dat producten eind 2019 moeten voldoen aan de eisen van de Stichting Milieukeur, terwijl Albert Heijn wil dat 27 middelen die volgens het CLM (Centrum Landbouw en Milieu) intrinsiek schadelijk zijn voor 2019 niet meer gebruikt worden. Inmiddels is uit praktijkproeven gebleken dat de milieubelasting toeneemt bij een haastig verbod op die middelen, maar dat terzijde.

Effectief gebruik

Akkerbouwer Van Dijk: „Waar het om gaat, is dat men alleen kijkt naar het middel op zich en niet naar de manier en de omstandigheden waaronder het gebruikt wordt”, zegt hij. „Dat is vreemd. Het gaat niet alleen om het soort middelen, maar ook om het effectieve gebruik ervan.”

Nijenhuis voegt eraan toe dat het in de discussie over gewasbescherming te veel gaat over het gevaar van stoffen en te weinig over het risico. „In het zee-aquarium in Scheveningen zwemmen haaien rond, levensgevaarlijke dieren. Toch ga je er rustig op bezoek, want de kans dat je wordt aangevallen door zo’n haai – en daarmee ook het risico – is nagenoeg nihil. Het is publicitair lekker gemakkelijk om een zwarte lijst op te stellen van gevaarlijke chemische pesticiden, maar daarmee vervuil je de discussie over groene gewasbescherming. Ook biologische middelen zijn niet altijd even goed voor milieu en natuur. Het is daarom veel logischer om te praten over middelen met meer of minder risico dan over het onderscheid tussen chemisch en biologisch.”

Volgens Bert Lotz is hier een belangrijke rol weggelegd voor de supermarkten. „Op zich vind ik het een goede zaak dat supermarkten zich bemoeien met de manier waarop boeren hun producten telen. Daar past dan ook een redelijke verdeling van kosten en opbrengsten in de keten bij. Als ketenpartners vanuit elk hun eigen verantwoording de handen ineenslaan, kunnen we samen grote stappen zetten naar een veel duurzamere gewasbescherming.”


Joost van Kasteren is hoofdredacteur van Vork.

Wilt u alle artikelen in Vork lezen, vraag dan een proefnummer aan.